PEDAGOGISCH KLIMAAT

Om onze Pedagogische Visie in de praktijk goed te kunnen uitvoeren en te kunnen werken vanuit de 3 Basisbehoeften van het kind, dient aan een aantal voorwaarden voldaan te worden. Naast materiële zaken is het vooral van belang hoe wij omgaan met elkaar en de kinderen. Samen noemen we dat het Pedagogisch Klimaat. Grofweg is dat uit te splitsen in 4 pedagogische basisdoelen:

  • Emotionele Veiligheid
  • Persoonlijke Competentie
  • Sociale Competentie
  • Normen en Waarden

 Hieronder geven wij een korte uitleg hoe wij aandacht hebben voor, of vorm geven aan iedere basisdoel.   

CAR


Emotionele Veiligheid

Onder de emotionele veiligheid verstaan wij het gevoel bij het kind dat het zich veilig en vertrouwd voelt op de kinderdagopvang. Dat ze dus mee mogen doen, dat ze welkom zijn, dat ze bij een volwassene terecht kunnen als ze die (even) nodig hebben, hieronder valt dus mede de basisbehoefte “relatie”. Voor die relatie is het van belang dat de kinderen en ouders steeds met dezelfde leidsters te maken krijgen. Daarom werken wij met vaste leidsters op een groep en proberen we het aantal (verschillende) volwassenen waar het kind mee te maken krijgt tot een minimum te beperken. Het kind kan er op rekenen dat er altijd minimaal 1 bekende leidster aanwezig is. Kinderen krijgen zo de kans zich aan de leidsters te hechten, wat een veilige basis biedt om de omgeving te verkennen, bescherming of troost te zoeken als dat nodig is. Door elkaar beter te leren kennen, weten kind en leidster ook hoe gereageerd wordt op verschillende situaties en hoe ze daarop kunnen anticiperen. Een warme, vertrouwde relatie tussen kind en leidster wil zeggen dat het kind weet dat er goed voor hem of haar gezorgd wordt en hij of zij wordt gerespecteerd. Ook de basisbehoefte “autonomie”, de ruimte krijgen om zelf beslissingen te nemen, keuzes te maken, speelt een belangrijke rol bij emotionele veiligheid. 

Baby’s zijn nog voornamelijk op leidsters gericht. Maar vanaf 2 jaar hebben de kinderen in de groep meer contact met elkaar dan met de leidsters. Voor alle kinderen blijven de leidsters de belangrijkste bron van veiligheid, zij zorgen voor een veilige basis waardoor de kinderen onbekommerd met elkaar kunnen spelen.

Hoe proberen wij de emotionele veiligheid bij kinderen te bevorderen?

  • We werken met vaste leidsters op de groep, waarbij het kind en de ouders kunnen rekenen op minimaal 1 bekende leidster in de groep.
  • We proberen de samenstelling van de groep zo min mogelijk te wijzigen, zodat kinderen meer kans hebben elkaar beter te leren kennen en vriendschappen op te bouwen.
  • De kinderen spelen in een vaste ruimte, waar plaats is voor beweging, rust, samen en alleen spelen.
  • Groepsleiding heeft extra oog voor kinderen die blijkbaar meer moeite hebben in het leggen van contacten met anderen.
  • De kinderen accepteren zoals ze zijn en ons steeds in te leven in hun gedachten en gevoelens.
  • Door de kinderen vaak bij naam te noemen, zodat ze elkaar kennen en gekend voelen.
  • Aan te sluiten bij het ontwikkelingsniveau van de kinderen gezien hun leeftijd, kennis en vaardigheden. Zo zorgen wij ervoor dat bij een 1-jarige die in de periode van eenkennigheid is, altijd een bekende groepsleidster aanwezig is.
  • Alert te zijn op emotionele signalen van kinderen en daarop te reageren. Een kind wat angstig reageert op het geluid van bijvoorbeeld een passerende motor wordt aan de hand genomen. Samen gaan we opzoek naar waar dat geluid vandaan kwam en gaan we het benoemen. Door samen te luisteren, te kijken en verklaren proberen we de angst te doorbreken.
  • Huilen is bij baby’s een belangrijk signaal waar op gereageerd moet worden. Er wordt gekeken waar het signaal vandaan komt en of het voor de baby opgelost moet worden door de leidster. (Honger, ongemak, slaap, erbij willen zijn, etc.) Het is belangrijk dat de baby het vertrouwen krijgt dat de leidster in de buurt is als ze een signaal afgeven (bijvoorbeeld door huilen) en dat er op gereageerd wordt.
  • Houdingen zoeken die de baby fijn vindt en op momenten dat ze wakker is deze houding regelmatig herhalen zodat daar vertrouwen in ontstaat.
  • Bij baby’s eerst oogcontact te maken, ze aan te spreken voordat de leidster iets gaat doen.
  • Baby’s regelmatig laten voelen dat je er bent, oogcontact en lichaamcontact door aanraken is heel belangrijk.
  • Bij dreumesen en peuters ook eerst van dichtbij contact maken en uitleggen wat er gaat gebeuren.
  • De verzorgingsmomenten zoals verschonen, naar het toilet gaan, eten / drinken, aan en uitkleden worden door de groepsleiding aangegrepen als extra momenten op de dag om even 1 op 1 te communiceren met het kind en het zo een gevoel van emotionele veiligheid te geven en daar samen plezier aan te beleven.
  • (Groeps-) activiteiten aan te passen aan de behoefte van de groep of het individuele kind. Zo kan een drukke groep de behoefte aan lekker buiten spelen aangeven. Door in te spelen op de behoefte om even lekker te rennen, bewegen of een actief spel te ondernemen is er later weer tijd voor een rustigere activiteit.
  • Als daar aanleiding voor is, de gevoelens van de kinderen onder woorden te brengen. Als een kind bijvoorbeeld verdrietig reageert als zijn speentje in het mandje opgeborgen wordt, benoemt de leidster het verdriet en maakt de afspraak met het kind dat ze het samen weer op gaan halen als hij gaat slapen.
  • De kinderen te stimuleren met de gevoelens en gedachten van anderen rekening te houden.
  • Emotioneel geladen onderwerpen in de kinderdagopvang niet uit de weg te gaan en te zorgen voor een open en eerlijke communicatie met de kinderen. Voorbeelden van emotioneel geladen onderwerpen kunnen zijn: het afscheid nemen, hoe laat papa of mama weer komt om ze op te halen, naar bed toe gaan (alleen in een kamertje gaan slapen), een kind wat niet mee mag spelen / delen met speelgoed, situaties uit de thuissituaties zoals een ziek familielid of overlijden.
  • Te zorgen voor een vertrouwde en voorspelbare omgeving door te werken met een vast dagritme, gewoontes en rituelen bij dagelijks terugkerende activiteiten.
  • Kinderen de ruimte te geven om dingen zelf te doen, en beschikbaar te zijn als daar hulp bij nodig is.
  • Te zorgen voor een open communicatie tussen ouders en groepsleiding. Als wij zaken opmerken bij kinderen (bijvoorbeeld in de lichamelijke en / of sociaal-emotionele ontwikkeling) maken we dat bespreekbaar met de ouders. Dat kan bij het halen / brengen maar soms ook in een later contact.

Persoonlijke competentie

Bij persoonlijke competentie draait het erom dat het kind voor vol wordt aangezien. Het gaat daarbij om emotionele, motorische, zintuiglijke en cognitieve competenties. We willen kinderen laten ervaren wat ze kunnen door de activiteiten af te stemmen op hun leeftijd en mogelijkheden. Dat is bij een 0 jarig kind anders dan bij een 4 jarige. Het spelen is de natuurlijke weg om dingen te leren. Door met plezier te bewegen leren ze hun lijf, zichzelf en de andere kinderen kennen. Ze leggen contact met de andere kinderen, ervaren grenzen en bouwen een gevoel van eigenwaarde op. Ook het tegemoet komen aan de behoefte bij kinderen om dingen zelf te doen (autonomie) draagt bij aan de persoonlijke competentie; zelf omrollen, zelf je hoofd draaien en in de ruimte rondkijken, zelf je fles vasthouden, zelf je boterham smeren, zelf je handen wassen, zelf iets pakken of opruimen. Door met de kinderen samen te spelen kunnen leidsters het kind net die dingen laten ervaren die ze alleen nog niet aan kunnen. Door samen met de bal over te rollen kunnen dreumesen vaak wel een over-rol-spel met elkaar spelen, terwijl ze dat alleen nog niet kunnen. De rol van de groepsleiding om de persoonlijke competentie bij deze jonge kinderen te bevorderen is dan ook vooral alert zijn op signalen van het kind, ondersteunen als het kind daarom vraagt, structureren van de omgeving, stimuleren en bemoedigen van initiatieven en daar samen plezier aan beleven.
 
Hoe proberen wij de persoonlijke competentie bij kinderen te bevorderen?

  • Bij de inrichting van de groepsruimte is gekeken naar de verschillende leeftijden die gebruik maken van de ruimte.
  • Daarbij wordt steeds gezocht naar een evenwichtige balans tussen uitdagende elementen en rust om overprikkeling te voorkomen waardoor kinderen te veel afgeleid worden en tot niets meer komen. Door een gedeelte van het spelmateriaal tijdelijk op te bergen, en in 1 ruimte selectief materiaal aan te bieden ontstaat er ook ruimte en rust om daar mee te spelen en ontdekken. Als altijd alles tegelijkertijd aanwezig is ontstaat chaos en komt niemand meer tot spel.
  • In de groepsruimte zijn hoeken gecreëerd met materialen voor jongere kinderen en oudere kinderen. Denk daar aan zand, bouw en constructiemateriaal, materiaal voor imitatiespel, bewegingsmateriaal, gezelschapsspelen, expressiemateriaal.
  • Het doel van het spelen, ook met behulp van materiaal, is niet het product dat het eventueel oplevert, maar het lekker bezig zijn, het ontdekken van mogelijkheden.
  • In het spel is aandacht voor bewegingsspel, ontdekkend spel, fantasiespel, samenspel en buitenspel.
  • In het spel- en speelgoedaanbod is voldoende variatie voor verschillende leeftijden, sekses en interesses.
  • Door samen met de kinderen te spelen of activiteiten aan te bieden kunnen ze positieve ervaringen opdoen en nieuwe vaardigheden leren. Zo kan een activiteit die start met het overslaan van opgeblazen ballonnen, door invloed van een leidster veranderen in het voelen aan de ballon als je er vlakbij gaat praten. Het voelen van de trilling kan dan weer een nieuwe ervaring zijn voor het kind. Door het te stimuleren zelf geluidjes vlakbij de ballon te maken terwijl ze de ballon vasthouden wordt deze activiteit een leuk leermoment!
  • Door kinderen mee te laten helpen in dagelijkse “klusjes” ervaren de kinderen dat ze ook een echte bijdrage leveren.
  • Door kinderen te betrekken bij het bedenken van activiteiten van de dag leveren zij ook een echte bijdrage.
  • Er is aandacht van de groepsleidsters voor de spontane leerervaringen die de kinderen opdoen tijdens een activiteit. 
    Als tijdens het puzzelen een kind ineens de stukjes gaat tellen, de kleuren gaat benoemen, puzzelstukjes gaat sorteren met een vlakke kant zijn dat allemaal voorbeelden van spontane leerervaringen die het kind opdoet. De leidster kan dan het oorspronkelijke plan om te puzzelen loslaten, en inspelen op wat het kind aangeeft door bijvoorbeeld een tel-rijmpje of spelletje te gaan doen.
  • Met baby’s worden spelletjes gedaan waarbij handen en voeten herkend worden. 
    Ook spelletjes voor de spiegel en inspelen op de momenten waarop de baby spontaan zijn lichaam aan het ontdekken is dragen bij aan de persoonlijke competentie van de baby.
  • Door veel te communiceren met de baby en te bevestigen en benoemen wat hij doet laten we het kind ervaren wat het kan en wie ze zijn.
  • We willen het kind leren vertrouwen op eigen kracht en vermogen door er op een positieve manier aandacht aan te besteden. (het maken van complimenten, prijzen of belonen van positief gedrag)
  • Groepsleidsters kiezen ook bij corrigerende opmerkingen waar mogelijk voor een positieve benadering van het kind. 
    Als een kind iets afpakt van een ander kind, en er ontstaat onenigheid tussen die twee kan de leidster benoemen dat ze allebei het speelgoed erg mooi vinden en dat ze het fijn vindt dat ze er zo graag mee spelen. Wel wordt benoemd dat het ene kind het speelgoed al had. De ander moet het dus nu even terug geven, want zomaar afpakken mag niet. Samen wordt gekeken naar een andere mogelijkheid; misschien heb je een speelgoedje wat je samen kunt ruilen, misschien kun je even met iets anders spelen tot de ander klaar is of is samenspelen een mogelijkheid? De aandacht gaat dus naar het afkeuren van het gedrag wat niet mag (afpakken), benoemen van het probleem, en samen kijken naar een positieve oplossing daarvoor.
  • Door gebruik te maken van een vast dagritme en rituelen snappen kinderen wat er gaat gebeuren en zijn zij actief betrokken bij gebeurtenissen in de groep.

Sociale competentie

Onder de sociale competenties verstaan we onder andere het hebben van vertrouwen in anderen en de vaardigheden om hulp te vragen en ontvangen. We zien hier dan ook de kernbegrippen relatie en competentie sterk vertegenwoordigd. Maar ook de mogelijkheden om dit zelf te kunnen (autonomie) is hier zeer waardevol. Het op een positieve manier een bijdrage kunnen leveren aan de groep, samen spelen en meedoen in de groep en delen met anderen horen hierbij. Het kind wordt zich bewust van zijn eigen identiteit en persoonlijke kenmerken en leert problemen en conflicten oplossen. Het aanvoelen wat de ander bedoelt en daarop reageren met je eigen gedrag, het nadoen van de ander maar ook zelf initiatief nemen, zijn allemaal voorbeelden van sociale competenties. We zien hier dus de basisbehoeften op sociaal-emotioneel, moreel, cognitief en communicatief gebied bij elkaar komen in de dagelijkse praktijk. Op onze kinderdagopvang willen wij op verschillende manieren aandacht hebben voor die sociale competenties. 

Hoe proberen wij de sociale competentie bij kinderen te bevorderen?  

  • Emoties van kinderen spiegelen en benoemen. 
    Zo wordt gezegd wat de leidster ziet: lachen, en welke emotie de leidster denkt te zien (plezier). Door kinderen actief te betrekken bij deze emoties leren ze.
  • Kinderen uitdrukkelijk betrekken bij troosten en elkaar helpen en elkaar aanmoedigen om iets door te zetten. 
    Mooie voorbeelden zien we in de praktijk als de kleinsten beginnen met lopen; het kind valt en een ouder kind komt “helpen”. Samen met de leidster wordt het kind aan de hand genomen en aangemoedigd weer een paar stappen te zetten.
  • Als kinderen een conflict hebben, wat bij de normale ontwikkeling hoort en geleerd moet worden, wordt niet direct in gegrepen door de groepsleiding. Wel wordt in de gaten gehouden of ze het al zelf op kunnen lossen, en of dat niet ten koste gaat van 1 kind. Zowel de oorzaak van het conflict als de oplossing die eventueel samen met de leiding gevonden is wordt in begrijpelijke taal op het niveau van het kind besproken. 
    Een voorbeeld; als een kind van 1 jaar een ander kind slaat gaan we samen het kind de ander op een positievere manier aanraken. We laten het kind ervaren dat het met zijn handen ook iets kan doen wat de ander prettig vindt. We benoemen dat dit fijn is voor de ander. Bij een 3 jarige die een ander kind slaat omdat het graag met de auto van dat andere kind wil spelen leggen we uit dat dat niet mag. We proberen het kind zelf onder woorden te laten brengen waarom het sloeg. We proberen dan samen met de peuters een oplossing te vinden voor het probleem (samen spelen, jij mag straks,…)
  • De groepsleiding heeft oog voor wat er speelt tussen de kinderen en leeft zich in in de kinderlogica die daar achter steekt. 
    Soms zien we een kind een ander kind optillen. De bedoeling kan dan heel goed zijn: een ander kind helpen. Toch kan dit leiden tot een huilpartij of wegduwen. De leidster benoemt de goede bedoeling en legt meteen uit dat het andere kind dit toch niet prettig vindt.
  • Ze helpt waar nodig bij het vinden van een oplossing bij sociale botsingen, of benoemt de zelf gevonden oplossingen van de kinderen. 
    Twee kinderen willen allebei het liefst op de tractor rijden. Een kind geeft aan dat ze om de beurt kunnen rijden. De leidster herhaalt de oplossing en benoemt dit dat het een goede oplossing is. Ze geeft de kinderen ook een compliment dat ze er samen zo goed uit gekomen zijn en er wordt afgesproken wanneer gewisseld wordt.
  • De groepsleiding richt zich ook op het nemen van de laatste stap bij een sociale botsing: het weer vrienden maken zodat we op een gezellige, open manier samen verder kunnen spelen.
  • Het spelmateriaal wat aanwezig is biedt mogelijkheden om sociale competenties te oefenen in rollenspel, samenspel (bijvoorbeeld gezelschapsspelen) of individueel spel.
  • Soms maken we van individueel spel samenspel; zo kun je samen een puzzel maken of samen aan 1 tekening werken. 

Waarden en normen

Waarom is aandacht voor waarden en normen belangrijk?

Waarden
Waarden zijn opvattingen. Opvattingen over gedragingen en situaties over mensen en dingen, etc. Die waarden of opvattingen drukken we uit in woorden als: mooi, lelijk, fijn, vervelend, eerlijk, oneerlijk, moedig, laf, belangrijk, onbelangrijk.

Normen
Normen zijn concrete regels en voorschriften voor ons handelen in bepaalde situaties. Ze vertalen waarden in concreet gedrag.

Bij het ontwikkelen van morele competenties bij jonge kinderen hebben we te maken met het omgaan met waarden en normen in de groep. Het besef dat ze met eigen gedrag anderen kunnen beïnvloeden, de motivatie om andere kinderen te helpen en geen pijn te doen en de verschillende sociale regels in de groep moeten helder onder woorden gebracht worden door de groepsleiding. Ook is er aandacht voor het eigen gedrag en emoties, opkomen voor jezelf, omgaan met morele gevoelens als trots, schuld en schaamte. 

Hoe stimuleren wij de ontwikkeling van waarden en normen op de kinderdagopvang?

  • We proberen de kinderen, afhankelijk van leeftijd en ontwikkeling, zich bewust te worden van hun handelen door erop te reflecteren. 
    Als een peuter het speelgoed in de bak gaat opruimen, benoemt de leidster dat gedrag door hem te vertellen dat ze het fijn vindt dat hij zo goed meehelpt om op te ruimen. Als we zien dat een kind een ander kind helpt door bijvoorbeeld iets te pakken, wordt dat gedrag ook gestimuleerd door te verwoorden wat hij gedaan heeft (iets pakken) en welke gevolgen dat heeft voor een ander (nu kan zij lekker verder spelen).
  • We verhelderen daar waar nodig de waarden en normen die op de kinderdagopvang gelden in begrijpelijke taal.
  • Er zijn niet teveel regels, wel duidelijke die consequent worden toegepast. Dit zijn regels die te maken hebben met samen spelen, speelgoed delen of juist zelf spelen, elkaar geen pijn doen, hoe we eten of hoe we dingen pakken en opruimen.
  • We reageren op het ‘vraagkijken’ van kinderen.
    Vaak voelen kinderen zelf aan wanneer het gedrag niet helemaal aan de haak is. Ze proberen dan van het gezicht van de leidster af te lezen wat de bedoeling is. Door hier alert op te reageren kan de leidster een ‘morele gids’ zijn in situaties die verkend worden. Het vraagkijken betekent vaak “ik weet het wel, maar help mij even want ik begrijp nog even niet helemaal hoe ik wél moet handelen”.
  • Kinderen die bij een gesprek staan worden er zoveel mogelijk bij betrokken als het kind aangeeft erbij betrokken te willen worden.
  • Als kinderen boos of overstuur zijn, blijven leidsters vriendelijk en duidelijk in hun communicatie. 
    Door te kiezen voor bijvoorbeeld een time-out kan het kind eerst even tot rust komen voor het in de groep terug keert. 
    Een voorbeeld is dat een dreumes erg moet huilen en boos is omdat hij speelgoed wil hebben waar op dat moment andere kinderen mee spelen. Dat kan nu dus even niet. De leidster legt eerst rustig uit waarom hij er nu niet mee kan spelen. Daarna neemt de leidster het kind mee naar een andere situatie zodat het speelgoed even uit zijn blikveld weg is en kijkt naar een andere spelmogelijkheid (alternatief).
  • We zijn er ons van bewust dat het kind in aanraking komt met verschillende groepen waar andere waarden en normen kunnen gelden (thuis, kinderdagopvang, bij familie of vriendjes) en gaan hier respectvol mee om. 
    Als een peuter na het eten meteen van tafel wil, omdat hij dit thuis zo gewend is, gaan we samen kijken wat er op de groep anders is dan thuis; we zitten met meer kinderen aan tafel, de leidsters moeten meer kinderen helpen met een boterham smeren, we hebben hier afgesproken dat iedereen blijft zitten tot we klaar zijn. Zonder een waarde-oordeel te geven over wat beter is (aan tafel blijven of gaan spelen als je klaar bent) wordt duidelijk gemaakt dat hier soms andere regels gelden dan thuis, en dat dat prima is.
  • We maken bij het bespreken van onze waarden en normen gebruik van alledaagse situaties in de kinderdagopvang en helpen de kinderen bij het vinden van oplossingen om beter te reageren in een situatie. 
    Als er ruzie komt omdat drie kinderen met alle blokken een toren willen bouwen en dus alle blokken voor zichzelf willen hebben, stelt de leidster voor om eerst de blokken te verdelen en allemaal een toren te bouwen. We kijken dan hoe hoog de torens worden. Daarna bouwen we met z’n allen 1 grote toren. Door elkaar goed te helpen maken we misschien wel de allerhoogste toren…
  • We streven ernaar, ondanks onderlinge persoonlijke verschillen, dezelfde waarden en normen in de groep te hanteren.
  • We gaan na waarom kinderen zich veelvuldig niet aan gestelde regels houden als zich dat voor doet en passen daar de afspraken of inrichting van een ruimte indien nodig op aan.
  • We houden ons zelf ook aan de regels.